Het ‘haaienleer’ mysterie. Een tipje van de sluier opgelicht.

31 augustus 2016

Naast mijn werk in ons atelier, volg ik sinds twee jaar de Master Conservering en restauratie van cultureel erfgoed aan de Universiteit van Amsterdam. Momenteel werk ik aan mijn scriptie. Ik onderzoek een bekledingsmateriaal dat al sinds de zeventiende eeuw vooral in zwarte kleur om almanakken en boeken van religieuze aard voorkomt en dat bekend staat onder de, mijns inziens, mystificerende naam ‘haaienleer’ (afb. 1). Een betere term is het vroeger gebruikelijkere segrijn, een verzamelnaam voor materiaal met een korrelig oppervlak.

Detail van een laat 17de-eeuwse boekband bekleed in segrijn, 1769 G 11 Koninklijke Bibliotheek.

1. Detail van een laat 17de-eeuwse boekband in segrijn, Koninklijke Bibliotheek, 1769 G 11.

Onder die term vallen ook echt haaien- en roggenleer. Dit zit echter vrijwel nooit om boekbanden. Het materiaal dat er wel omheen zit, ziet er soms uit alsof het inderdaad een leersoort betreft. Het is vezelig, (rood-)bruin in de dwarsdoorsnede en heeft een craquelerende nerf. Vaak heeft het echter juist eigenschappen die veel meer aan perkament doen denken. Het oppervlak kan keihard voelen, op de breuken is een zeer compacte vezelstructuur te zien die erg licht van kleur is, en bij bevochtiging wordt het zacht en elastisch, waarna het bij droging weer sterk kan krimpen. Mijn onderzoek richt zich op de vraag wat voor materiaal het nu eigenlijk is en of we het onder leer kunnen scharen of dat we het toch beter een perkamentsoort kunnen noemen.

Uit historische bronnen, waarvan de vroegste uit begin achttiende eeuw, blijkt dat dit materiaal zijn oorsprong vindt in het Midden-Oosten en het gebied rondom de Kaspische Zee. Het heette daar ‘sauwer’, ‘sagri’ of ‘sagre’. Die woorden duiden in verschillende talen op het achterdeel van de huid van een hoefdier. Het segrijn werd gemaakt van een specifiek stuk van het achterste deel van de paarden- of ezelshuid. In een aantal van die historische teksten wordt vanaf begin achttiende eeuw ook al gewaarschuwd voor imitatiesegrijn dat gemaakt werd van ‘Corduaan’, een hoge kwaliteit geitenleer met fijne nerf. Dat leer zou met koperen platen van een reliëf voorzien zijn waardoor het op segrijn lijkt. Het is van echt segrijn te onderscheiden omdat de nerf losser zit en van de huid kan loskomen, terwijl dit bij echt segrijn niet kan.

Dit ‘oosterse segrijn’, zoals het ook wel werd genoemd, is in ieder geval nog tot rond de eeuwwisseling van 1900 volgens eenzelfde vernuftig proces gemaakt. Dit specifieke achterstuk van de paarden- of ezelshuid werd na het ontharen en ontvlezen opgespannen. In opgespannen toestand werden er kleine zaden ingeperst waardoor er allemaal kleine kuiltjes in de nerfzijde van de huid kwamen. Na droging werd de huid uit het spanraam genomen, werden de zaden afgeschud en de opstaande delen rondom de kuiltjes weggeschraapt. Door vervolgens de huid in water weer te laten zwellen, werden die ingedrukte kuiltjes dikker dan de afgeschraapte huid eromheen. De kuiltjes, waar immers nog meer collageenvezel zat, kwamen in gezwollen, bolle vorm boven het oppervlak uit. Daarmee was de segrijnstructuur gecreëerd. Hierop volgden nog een aantal chemische bewerkingen om de huid verder te verduurzamen en wit, zwart, rood, groen of blauw te kleuren.

De bronnen bestaan uitsluitend uit tekstuele getuigenissen van het vervaardigingsproces van dit ‘echte’ segrijn. Mijn blijdschap was dan ook groot toen ik eindelijk een geíllustreerde publicatie vond, Museum Museorum oder Vollständige Schau-Bühne aller Materialien und Specereyen van Michael Bernhard Valentini uit 1704 (afb. 2). Recentelijk stuitte ik, tot nog groter blijdschap, op de meest illustratieve bron tot nu toe: het Turkestan album. In dit album zitten zo’n 1200 foto’s die onder andere de ambachten in Russisch Turkestan documenteren. Het kwam in 1872 uit en werd in opdracht van de gouverneur-generaal van Russich Turkestan gemaakt. Onder de foto’s, gedigitaliseerd door de Library of Congress, bevinden zich enkele waarop de vervaardiging van segrijn te zien is. Via de link onderaan deze post kunt u straks zelf de foto’s zien.

2. De afbeelding uit Valentini’s boek met gereedschappen voor ontharen en ontvlezen van de huid en een op de grond opgespannen vel dat, behalve aan de buitenrand, met zaden is besprenkeld.

2. De afbeelding uit Valentini’s boek met gereedschappen voor ontharen en ontvlezen van de huid en een op de grond opgespannen vel dat, behalve aan de buitenrand, met zaden is besprenkeld.

Op grond van de eerste pogingen tot reconstructie van het materiaal, meen ik te kunnen concluderen dat op bovenstaande manier inderdaad een materiaal te maken is dat lijkt op het segrijn dat wij van de boekbanden kennen. Over die reconstructies (afb. 03) en de eerste resultaten van mijn onderzoek zal ik binnenkort meer berichten.

3. Een proefstuk paardenhuid wekend in water en een detail van de opgekomen segrijnkorrels in diezelfde huid.

3. Een proefstuk paardenhuid wekend in water en een detail van de opgekomen segrijnkorrels in diezelfde huid.

Dan nu, eindelijk, de spectaculaire foto’s van het segrijn maken. Ga op de pagina in onderstaande link naar ‘Manufacture of shagreen’.
https://www.wdl.org/en/search/?series=images-from-the-turkestan-album-industrial-crafts-and-trades-part#13953

—[English]—

The shagreen mystery, a tip of the veil lifted.

Besides the work in our studio, I have been following a two-year Master in Conservation of cultural heritage at the University of Amsterdam. Currently I am working on my final thesis. My research subject is a covering material which has been used for almanacs and books of religious nature since the early seventeenth century. This material is known as ‘segrijn’, shagreen in Dutch, or as ‘haaienleer’ which literally translates as shark leather. Shagreen is a better name than the mystifiying ‘shark leather’ (fig. 01. Detail of a late 17th century binding in shagreen, Koninklijke Bibliotheek, Dutch Royal Library, 1769 G 11.). Shagreen has historically been used to mean different materials with a pebbly surface.

This term was also used to signify real shark and ray leather. These are extremely rare on bookbindings. The material which is actually found on books, sometimes looks very much like leather. It has a fibrous layer, has a (red) brown colour in cross section and is covered by a cracking grain layer. But rather often it has properties which resemble parchment. The surface feels very hard, at the cracks a very compact fibre structure can be seen which is light of colour, upon moistening the material becomes soft and elastic, and upon drying it can shrink heavily. My research focuses on what kind of material it actually is and whether we can consider it leather or whether it would be more appropriate to call it a kind of parchment.

According to historical sources, the earliest from the beginning of the eighteenth century, it originates from the Middle East and the region around the Caspian Sea. It was named ‘sauwer’, ‘sagri’ or ‘sagre’. In different languages these words signify the back end of the skin of an ungulate. And shagreen was manufactured particularly from the back end of the horse or donkey hide. In those same historical sources authors warn, already from the start of the eighteenth century, for imitation shagreen made of Cordoban leather, a high quality goat leather with fine grain. That leather supposedly was pressed with patterned copper plates to give it a pattern which made it look like shagreen. It could be distinguished from real shagreen because the grain is more loose and can actually come off the skin while this does not happen with real shagreen.

This ‘eastern shagreen’ as it was sometimes called, has at least until around 1900 been made according to same inventive process. After dehairing and defleshing this particular part of the horse or donkey hide, it was stretched in frames or on the ground. Then small seeds were pressed in the grain side which resulted in a hide full of little dimples. After drying, the skins were taken from the frames, the seeds were shed off and the raised edges around the dimples scraped off. By the following soaking of the skins in water, the compressed dimples would swell and rise above the surrounding surface. With this action the pebbly shagreen surface had been created. This was followed by several chemical treatments to further conserve and colour the skins, in white, black, red, green or blue.

These sources on the production of this ‘real’ shagreen are exclusively textual. As can be imagined, my pleasure was great when I finally found an illustrated account in Michael Bernhard Valentini’s Museum Museorum oder Vollständige Schau-Bühne aller Materialien und Specereyen from 1704 (fig. 2. The image from Valentini’s book with tools for dehairing and defleshing of the hides and a skin stretched on the ground and fully covered with seeds, except for the outer edges.). Recently my pleasure was even greater, when I found the most illustrative source so far: the Turkestan album. This album contains around 1.200 photographs that document among others the trades of Russian Turkestan. It was released in 1872 and had been made by order of the Governor-General of the region. Among the photographs, digitized by the Library of Congress, are a few which show the manufacture of shagreen. Through a link at the end of this post, you will be able to see those pictures yourself in a minute.

Judging from the first attempts at reconstructing the material, I think it can be concluded that following the above procedure it is actually possible to make a material that indeed resembles the shagreen seen around books. About these reconstructions (fig. 3. A sample piece of horse hide soaking in water and a detail of the swollen shagreen pebbles of that same hide.) and the first results of my research I will post more in a month or two.

So now, finally, those spectacular photographs of the production of shagreen. Scroll down to ‘Manufacture of shagreen’ on the page in the link below.
https://www.wdl.org/en/search/?series=images-from-the-turkestan-album-industrial-crafts-and-trades-part#13953